Nacht in de middag – Arthur Koestler

Recensie door Wil van Basten-Malipaard  – voor Literair Nederland – 9 juli 2012

‘De celdeur sloeg achter Roebasjov dicht’

Met deze eerste zin treedt de lezer niet alleen binnen in de cel van Roebasjov, maar ook in diens voorbije leven en vooral in zijn gedachten daarover.

Wie is Nicolaj Salmanovitsj Roebasjov die op zijn doodvonnis wacht in isoleercel No. 404 in een nieuwe modelgevangenis in een niet nader genoemd land en plaats?

Roebasjov is een fictief personage, de vijftig ruim gepasseerd, een bolsjewiek van de oude garde met traditioneel baardje en lorgnet. Hij is ex-volkscommissaris en stond dichtbij de grote Leider, No. 1. Hoewel de naam Stalin niet voorkomt in deze roman, moge het duidelijk zijn dat hij bedoeld wordt met No. 1. Roebasjov is volgens de schrijver een synthese van Karl Radek, Nicolaj Boecharin en Leon Trotski, vooraanstaande bolsjewieken die allen in de 2e helft van de jaren 30 geliquideerd en vermoord werden.

Het boek begint op het moment dat Roebasjov last krijgt van vreselijke nachtmerries die hem ‘aankondigen’ dat het binnenkort zijn beurt is om gearresteerd en ‘fysiek geliquideerd’ te worden. Daarbij ziet hij steeds weer de foto in de houten lijst met de afgevaardigden naar het eerste congres van de Partij. ‘Boven elk hoofd stond een kleine cirkel met een cijfer erin dat correspondeerde met één van de namen onderaan de foto. (…) Ze waren bezig de grootste revolutie in de geschiedenis van de mensheid voor te bereiden. (…) Waar waren zij gebleven? Hun breinen hadden allemaal een lading lood gekregen. (…). Slechts twee of drie van hen waren overgebleven. Hijzelf en No. 1.’

Als hij eenmaal opgehaald is voor verder verhoor over zijn ‘zogenaamde’ hoogverraad, heeft deze arrestatie, merkwaardig genoeg, een kalmerende werking en de eerste nacht in de cel slaapt hij weer normaal. Het is niet de eerste keer dat Roebasjov eenzaam opgesloten is en zijn ondeugd om te dagdromen in gevangenschap overvalt hem al vanaf de eerste dag. Tijdens het heen en weer lopen in zijn cel, verplaatst hij zich in zijn slachtoffers en ‘droomt zoals het geweest had moeten zijn, nooit zoals het in werkelijkheid geweest was.’

Roebasjov krijgt twee onderzoeksrechters die hem ieder op hun eigen manier proberen te dwingen deze misdaden publiekelijk te erkennen.
Ivanov en Gletkin vertegenwoordigen twee generaties bolsjewieken. Ivanov, een oude bekende van hem, van zijn eigen generatie, zelfde afkomst, opleiding en ontwikkeling, weet dat de misdaden waarvan Roebasjov beticht wordt, puur fictief zijn. Toch probeert Ivanov Roebasjov te laten inzien dat ‘de martelaar uithangen’ onverstandig is daar deze houding gebaseerd is op zelfmedelijden, geweten, wroeging en twijfel. De ‘ik’ bestaat niet volgens de Partij en is een ‘grammaticale fictie’. De motieven van het individu doen er niet toe. Evenmin het geweten. ‘De Partij kende slechts één misdaad: afdwalen van de koers die zij had bepaald; en slechts één straf: de dood. (…) Het was de logische oplossing voor politieke meningsverschillen.’ 

Op de muur, achter Ivanov, ziet Roebasjov tijdens het verhoor een vierkante plek, lichter dan de rest van het behang. Daar had de foto met de bebaarde hoofden en de genummerde namen gehangen.‘Alles waarin hij had geloofd, waarvoor hij de laatste veertig jaar gevochten en gebeden had, sloeg als een onweerstaanbare golf door zijn herinnering. Het individu was niets, de Partij was alles; de tak die van de boom brak moest verdorren…’ 

Roebasjov, inderdaad gekweld door wroeging, ziet steeds de slachtoffers voor zich die hij op grond van zijn ‘rationeel handelen’ de dood in heeft gejaagd en hij zegt uiteindelijk toe te gaan bekennen. Had het briefje: ‘Sterf in stilte’ dat bij de kapper in zijn boord werd gestopt er iets mee te maken? Van wie kwam dat?

Dan krijgt het verhaal een dramatische wending. De gematigde Ivanov wordt gearresteerd, beschuldigd van een te nonchalante onderzoeksmethode in de zaak Roebasjov en korte tijd daarna geliquideerd. ‘Burger Ivanov is gisteravond na een administratief vonnis doodgeschoten.’ 

De meedogenloze Gletkin neemt het verhoor over en probeert Roebasjov geheel te breken door hem fysiek uit te putten. Hij gunt hem geen nachtrust, kwelt hem door felle schijnwerpers op zijn gezicht te zetten. Door de urenlange verhoren, zes dagen en zes nachten, raakt Roebasjov zelfs bewusteloos.
Gletkin is pas 36 jaar en heeft geen enkele persoonlijke band met het verleden van de Partij. Hij was nog maar een kind tijdens de Oktoberrevolutie en zijn proletarische afkomst draagt er niet toe bij begrip te tonen voor Roebasjov.
Gletkin is met zijn ‘correcte wreedheid een weerzinwekkend creatuur’ schrijft Roebasjov en noemt hem een ‘onbeweeglijke Neanderthaler’, zonder enige zichtbare emotie’. Gletkins aanklacht bestaat uit zeven misdaden tegen de Partij en de Staat waarvan de poging tot vergiftiging van No. 1 wel de meest absurde is. Hiervoor schuwt Gletkin het niet een getuige (Hazenlip) een geheel verzonnen afspraak te laten vertellen. Hazenlip is voorafgaand aan deze ingestudeerde getuigenis meerdere malen gefolterd en zal nog vóór Roebasjov geëxecuteerd worden.

In wezen is er nog een derde onderzoeksrechter. Dat is Roebasjov zelf, vertwijfeld door een pijnlijk zelfonderzoek. In zijn dagboekfragmenten en dagdromen, lezen we gedetailleerde herinneringen aan situaties en slachtoffers. De lichte, zusterlijke geur van het lichaam van Arlova, zijn secretaresse/maîtresse die hij niet gered heeft; de geur van zeewier in de havenstad en kleine Louis die zich verhangen heeft. Ondanks de tragiek, zijn dit fraai beschreven passages waardoor de lezer meer inzicht krijgt in de persoon en cultuur van Roebasjov. Vindt hij uiteindelijk zijn ‘ik’ weer terug voordat hij zelf geveld zal worden door de Partij?

Op meesterlijke wijze beschrijft Koestler bijvoorbeeld de ontmoeting in het schilderijenmuseum met de 19-jarige Richard die hij de boodschap moet geven dat hij uit de Partij wordt gezet, m.a.w. dat hij vermoord zal worden vanwege zijn ongehoorzaamheid aan de Partij. Tussen de letterlijke tekst van de simpele conversatie, beschrijft Koestler met een kennersoog de museumzaal met de wel erg ‘toepasselijke’ schilderijen: (blz. 31) ‘Recht tegenover hem hing een Laatste Oordeel; cherubijnen met krullend haar en bolronde billetjes vlogen op trompetten blazend een onweersstorm tegemoet. Aan Richards linkerzijde hing een pentekening van een Duitse meester. Roebasjov kon er slechts een deel van zien – de rest ging schuil achter de pluchen rugleuning van de bank en achter Richards gebogen hoofd: de magere handen van de Madonna, opwaarts gebogen met de palmen in de vorm van een schaal, en een stuk lege hemel bedekt met horizontale pennestreken. Meer kon hij er niet van zien, want Richards hoofd bleef als hij sprak onbeweeglijk in dezelfde houding op zijn licht gebogen, rode hals. “Zo”, zei Roebasjov. “Hoe oud is je vrouw?”’

Een onmisbaar onderdeel in deze roman is de communicatie via het kwadraatalfabet waarmee de gevangenen d.m.v. klopsignalen met elkaar communiceren. Roebasjov ‘praat’ met de buurman van No. 402 die Roebasjov aanvankelijk ‘zwijn’ noemt, maar hem toch op de hoogte houdt over de andere bewoners van de cellen. Uiteindelijk klopt hij op de muur: ‘Ik benijd, ik benijd je. Vaarwel’, als Roebasjov afgevoerd wordt.

Nacht in de middag is een meesterwerk. Koestler is een begenadigd verteller. Zijn schrijfstijl is helder ondanks de complexe situaties en filosofische overpeinzingen. Zijn analyses van de Partij zijn haarscherp. Het boek, in romanvorm, verveelt op geen enkel moment. Begrijpelijk dat dit werk in de beginjaren 1940 (nazisme) geruchtmakend was. Nu ruim zestig jaar later heeft dit boek helaas zijn actuele waarde nog steeds niet verloren. Uitgeverij Schokland verdient een compliment met de heruitgave van dit werk in de serie Kritische Klassieken!

Arthur Koestler  (Boedapest, 1905 – Londen, 1983), Hongaar van joodse afkomst, werd in 1931 lid van de Duitse Communistische Partij en was als verslaggever actief in de Sovjet-Unie. Daar raakte hij ernstig teleurgesteld in het communistische systeem. Uiteindelijk vestigde hij zich in Engeland, waar hij in 1940 zijn geruchtmakende roman Darkness at noonpubliceerde.


Nacht in de Middag   –  
Auteur: Arthur Koestler  –                                                                Vertaald door: Koos Schuur, herzien door Nils Buis

Aantal pagina’s: 214
Verschenen bij: Uitgeverij Schokland (2012) in de Serie Kritische Klassieken No. 3
Prijs: € 23,90

 

Print Friendly

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *